* de ACVO is de evenknie van de ECVO: oogspecialisten bij uitstek.
DNA-databank: een biologisch archief
Geschreven door Ir Ed Gubbels (Genetic Counselling Services). Het staat hier. http://www.nederlandselabradorvereniging.nl/fileadmin/user_upload/roswitha/ABC_ARTIKELEN/DNA_2005-07-20_basisartikel.pdf
Erfelijke problemen bij honden
Van de hand van Janneke Scholten en Ir Ed Gubbels (Genetic Counselling Services). Het staat hier. http://www.nederlandselabradorvereniging.nl/fileadmin/user_upload/roswitha/ABC_ARTIKELEN/2005_-_Erfelijke_problemen_bij_honden_-_Hondenwereld.pdf
Erfelijkheid en gedrag
Geschreven door Ir Ed Gubbels (Genetic Counselling Services). Het staat hier. http://www.nederlandselabradorvereniging.nl/fileadmin/user_upload/roswitha/ABC_ARTIKELEN/2006_12_09_Erfelijkheid_en_gedrag.pdf
Fokken en selecteren, het afwegen van belangen
Een artikel van Ir Ed Gubbels (Genetic Counselling Services). U vindt het hier. http://www.nederlandselabradorvereniging.nl/fileadmin/user_upload/roswitha/ABC_ARTIKELEN/2008-Wijs_fokbeleid-artikel_Hondenwereld.pdf
Een fokker en het ras: soms tegengestelde belangen
Een artikel van de hand van Ir Ed Gubbels (Genetic Counselling Services). Het staat hier. http://www.nederlandselabradorvereniging.nl/fileadmin/user_upload/roswitha/ABC_ARTIKELEN/2006_tegengesteld_belang_fokker_ras.pdf
Gebitsproblemen
Veel hondengebitten worden verwaarloosd. Met zeer nare gevolgen.... http://www.nederlandselabradorvereniging.nl/fileadmin/user_upload/roswitha/ABC_ARTIKELEN/Gebit_van_de_hond_wordt_vaak_verwaarloosd.doc http://www.nederlandselabradorvereniging.nl/fileadmin/user_upload/roswitha/ABC_ARTIKELEN/Gebitsproblemen.doc
Genetisch beheer rashondenpopulaties
Een artikel van de hand van Ir Ed Gubbels (Genetic Counselling Services). U vindt het hier. http://www.nederlandselabradorvereniging.nl/fileadmin/user_upload/roswitha/ABC_ARTIKELEN/2004_Selectie_versus_overmatige_inzet___verkorte_versie.pdf
Gezondheids- en welzijnsproblemen bij de Labrador Retriever
Een artikel van de hand van Ir Ed Gubbels, GCS (Genetic Counselling Services). U vindt het hier <http://www.nederlandselabradorvereniging.nl/fileadmin/user_upload/roswitha/ABC_ARTIKELEN/2002_Fokkerij_Gezondheid_Labrador.pdf>.
Verantwoorde voeding en groeipijn bij jonge Labrador Retrievers
fileadmin/user_upload/roswitha/ABC_ARTIKELEN/Groeipijn_bij_jonge_Labrador_Retrievers_14_maart.doc http://www.nederlandselabradorvereniging.nl/fileadmin/user_upload/roswitha/ABC_ARTIKELEN/Groeipijn_bij_jonge_Labrador_Retrievers_14_maart.doc
door Prof. dr. H.A.W. Hazewinkel *

Enostosis is een aandoening die bekend staat onder de lekennaam: 'groeipijn'. Dit omdat kinderen in de groei een botpijn vertonen die vanzelf overgaat, net als enostosis.
Deze aandoening treedt vooral bij jonge (middel-)grote honden, zoals de Labrador Retriever retriever, op rond de leeftijd van 6 maanden. De pijn treedt plotseling op en verschijnt aan meerdere extremiteiten en wisselt van ernst. Het gevolg is dat de ene na de andere poot het meest pijnlijk en dus kreupel kan zijn. Deze 'migrerende' kreupelheid bij jonge honden gaat gepaard met pijnlijkheid tijdens het onderzoek van de pijpbeenderen.
Röntgenfoto's

Op de röntgenfoto kunnen er na enige tijd typische verschijnselen worden opgemerkt zodat de dierenarts de diagnose met zekerheid kan stellen en een verschil kan zien met de vele andere aandoeningen die kunnen optreden in het skelet van de jonge Labrador Retriever (zoals de erfelijke Elleboog- en Heupdysplasie, OCD in schouder, elleboog, hak of kniegewricht en andere aandoeningen.
Oorzaak

De aandoening enostosis treedt op omdat de voedingskanaaltjes (de kanaaltjes in het bot waar de bloedvaten doorheen lopen van het beenvlies aan de buitenkant naar het beenvlies aan de binnenkant van het pijpbeen) zich minder verwijden om de groeiende vaten ongestoord te laten passeren. Hierdoor treedt er stuwing op (vergelijkbaar met een elastiekje om de vinger) waarbij vocht uittreedt zowel tussen het buitenste beenvlies en het bot als binnen in de holte van het pijpbeen. Trekken van spieren aan het botvlies bij het lopen of een putje drukken op of stoten van het beenvlies doet erg veel pijn.
De onvoldoende verwijding van de kanaaltjes komt door onvoldoende activiteit van botopetende cellen die voor het modelleren van het skelet van belang zijn. Deze cellen worden geremd door een hormoon (calcitonine).
Calcium

Het vrijkomen van dit hormoon wordt bevorderd door calcium opname. Het is ons gebleken dat een overmaat aan calcium in het voer van de pup het aantal cellen dat calcitonine aanmaakt, verhoogt. Hierdoor zal een zelfde calciuminname op latere leeftijd tot een verhoogd vrijmaken van calcitonine uit al die hormoonproducerende cellen leiden, waardoor de botopetende cellen meer worden geremd en dus het skelet minder modelleren.
Hoge calciuminname tijdens het jonge leven (vanaf 3 tot 6 weken, dus tijdens het gedeeltelijk spenen), maar ook nog de eerste weken tot maanden daarna zal later het optreden van enostosis in de hand kunnen werken.

Rol voeding

Bronnen van dit extra calcium kunnen zijn:

Dit laatste zal ik verder toelichten.
Behoeften

Een hond eet omdat hij honger heeft, dat wil zeggen gebrek heeft aan energie. Met het opgenomen voer zal de hond z'n energiehonger stillen en met de opgenomen voedings-middelen worden allerlei behoeften gedekt.
Behoeften aan:
Verhoudingen
Een hond eet dus calcium omdat dit meekomt met de energiebronnen. Van een voer met een bepaald calciumgehalte (bijvoorbeeld 1,2% van de droge stof) met een laag energiegehalte zal een jonge hond met een gezonde honger dus meer eten dan van een voer met 1,2% calcium op droge stofgehalte met een hoger energie gehalte.
Geen volwassen-voer

In de regel heeft een voer voor volwassen honden een lager energiegehalte. Het voeren van jonge honden met volwassen-hondenvoer is daarom dus onverstandig.
Maar een jonge hond te veel energie voeren is ook onverstandig want dit werkt vetzucht, en daardoor overbelasting van gewrichten waaronder de heupen, in de hand hetgeen bewezen tot ernstiger Heupdysplasie kan leiden bij Labrador Retrievers.
Aangepast voer voor opgroeiende hond

De keuze moet dus zijn een voer met een verlaagd energiegehalte om overgewicht te voor-komen, maar dat tegelijkertijd uitgebalanceerd is in z'n samenstelling met overige belangrijke voedingsstoffen (denk aan eiwitten, vitaminen en mineralen), maar waarvan het calcium-gehalte dan ook naar beneden is bijgesteld (dus juist lager is dan de eerder genoemde 1,2%). Dit voer moet dan gegeven worden tot de hond (geheel of bijna) volgroeid is om de kans op het optreden van enostosis, maar ook van andere skeletafwijkingen te verkleinen.
* Hoogleraar skeletontwikkelingsstoornissen van gezelschapsdieren, specialist chirurgie en Diplomate Eur.Coll.Vet.Comp. Nutrition. Verbonden aan de Faculteit Diergeneeskunde te Utrecht


HERPES VIRUS
stembandverlamming
Artikel Prof. Hazewinkel erfelijkheid HD & ED
Bron: Centennial Conference Dutch Kennel Club, 2 juli 2002Bron:Zijn heupdysplasie en elleboogdysplasie erfelijk?Prof. Dr. H.A.W. HazewinkelFaculteit der Diergeneeskunde, Vakgroep Geneeskunde van Gezelschapsdieren, Universiteit Utrecht
Inleiding
In de veterinaire praktijk vallen heupdysplasie (HD) en elleboogdysplasie (ED) onder de meest voorkomende orthopedische afwijkingen. Beide komen vooral voor bij middelgrote en grote honden, beide zijn ontwikkelingsstoornissen, en beide zijn voor de patiënt vaak een bron van veel pijn en ongemak. Daar komt nog bij dat, niettegenstaande de inzet van individuele fokkers en rasverenigingen, HD en ED onverwachts de kop kunnen opsteken bij een of meer honden terwijl nestgenoten van diezelfde honden géén klinische tekenen van kreupelheid tonen. Alvorens in te gaan op de vraag die in de titel van deze bijdrage wordt gesteld - zijn HD en ED erfelijk? - geef ik eerst wat achtergrondinformatie over deze aandoeningen.
Ontwikkeling van heup- en ellebooggewricht
Het skelet van een hondenembryo is aanvankelijk een structuur van kraakbeen. Kraakbeen is zacht weefsel dat groeit door celvermenigvuldiging en door vergroting van de individuele kraakbeencellen. Dit is vergelijkbaar met het meeste andere weefsel in het lichaam, maar anders dan botweefsel. Botweefsel heeft een vaste structuur en bevat botcellen die zich niet kunnen delen en die niet kunnen groeien. Tegen de tijd dat de pup wordt geboren, wordt het kraakbeen in het midden en in de uiteinden van lange beenderen vervangen door bot. Alleen tussen deze benige centra en aan het einde van het bot blijft kraakbeen aanwezig, dat in dit stadium groeischijfkraakbeen wordt genoemd omdat het ervoor zorgt dat het skelet na de geboorte nog kan groeien. Het kraakbeen van de groeischijven tussen de benige delen zorgt ervoor dat de lange botten in de lengte groeien. Het kraakbeen dat de botuiteinden van gewrichten bedekt zorgt voor de groei in diameter van dat deel van het skelet. Het proces van kraakbeengroei wordt gevolgd door transformatie van het kraakbeen naar het veel hardere botweefsel. Wanneer dit verbeningsproces is voltooid en alle groeischijven zijn vervangen door bot, groeit het skelet niet meer: het dier is volgroeid. Maar dit betekent niet dat het verbeende skelet niet meer verandert van vorm en samenstelling. Bot wordt afgebroken door speciaal daarvoor toegeruste cellen en wordt waar nodig vervangen door andere cellen. Botmodelleren begint al in de jeugd en gaat door bij volwassen dieren. De groeicurve van opgroeiende honden van grote rassen verloopt steiler dan die van jonge honden van kleine rassen, vooral tussen de eerste drie en zes levensmaanden. Met andere woorden, de groei van pups van grote rassen gaat samen met een snellere groei in kilo's lichaamsgewicht en in centimeters botlengte per week. Verschillen in groeisnelheid worden ook veroorzaakt door individuele variatie in hormonen (mannelijke versus vrouwelijke hormonen) en in milieuomstandigheden. Onder die laatste vallen ook de kwaliteit en de hoeveelheid van de dagelijkse voeding. Deze factoren beïnvloeden niet alleen de groei van kraakbeen maar ook de botvernieuwing. Het heupgewricht bestaat uit de heupkom (het acetabulum) en de heupkop (caput femoris) op een hals. Bij de opgroeiende hond bestaat de heupkom uit vier kleine botdelen, met kraakbeenzones daartussen, zodat de doorsnede van de kom groter kan worden en zich kan aanpassen aan de groei van de kop. De kop groeit via het proces van kraakbeengroei en verbening tot bot. Tijdens de groei verandert de hals, waarbij de contacthoek tussen kom en kop aangepast wordt. Kop en kom worden bijeen gehouden door een kleine gewrichtsband, het kapsel van de gewrichtsholte en de spieren rond het heupgewricht. Een goede aansluiting en pasvorm zorgen dat kom en kop zich harmonieus kunnen ontwikkelen. Als de kop niet, of niet goed, in de kom zit, wordt de kom onvoldoende diep. Als de kraakbeengroei van de kop wordt belemmerd, dan blijft die te klein of 'onvolwassen' (en daarom kwetsbaar). Wordt de skeletomvorming belemmerd, dan is de richting van de hals niet aangepast aan het groeiende skelet. Het ellebooggewricht wordt gevormd door drie beenderen: de bovenarm (humerus) en de bijeenhorende botten in de onderarm, het spaakbeen (radius) en de ellepijp (ulna). Deze drie beenderen passen perfect in elkaar, zodat de elleboog kan strekken en buigen. Verder kan de onderarm in zekere mate draaien (schroevendraaierbeweging), wat vooral een beweging is tussen spaakbeen en ellepijp. De ellepijp heeft twee belangrijke uitsteeksels: (1) het processus anconeus, dat van belang is bij het strekken van het gewricht, en (2) het processus coronoïdeus, dat van belang is bij de draaiende beweging van ellepijp rond spaakbeen. Zoals alle skeletonderdelen zijn het processus anconeus en het processus coronoideus aanvankelijk van kraakbeen; tijdens de groei wordt dit vervangen door benig weefsel. Dit verbeningsproces is met 5 tot 7 maanden zo goed als voltooid. Als de lengtegroei van spaakbeen of ellepijp wordt belemmerd, kan de kom die deze twee beenderen samen vormen onvoldoende aansluiten op de vorm van de kop van de bovenarm; het resultaat is een incongruentie met het gewrichtsvlak van de humerus. Als er abnormale schuifkrachten worden uitgeoefend op het processus anconeus of het processus coronoïdeus, kunnen deze afbreken. De ontwikkeling van kraakbeen ter afdekking van het benige deel van het processus coronoïdeus of op het gewrichtsvlak van de humerus kan verstoord worden, hetgeen tot plaatselijke verdikking kan leiden. Zo'n kwetsbaar stukje kraakbeen kan afbreken; het gevolg is een gefragmenteerd processus coronoideus of een los flapje kraakbeen.
Heupdysplasie (HD)
Door een stoornis in de normale ontwikkeling van heupkom en -kop en een slechte aansluiting van deze beenderen zullen delen van het kraakbeenomhulsel overbelast raken. Dit veroorzaakt vervorming van het kraakbeen en uiteindelijk misvorming van het gewricht. Bovendien zal de instabiliteit van het gewricht leiden tot een stoornis van het kraakbeen en gewrichtsontsteking, hetgeen pijnlijk is. De kop zal uiteindelijk niet langer diep in de kom passen waardoor het heupgewricht misvormd (dysplastisch) wordt. De gewrichtsontsteking wordt chronisch (osteoarthrose), hetgeen leidt tot beperkte bewegingsmogelijkheid van de heupgewrichten en tot pijn tijdens en vooral na activiteit. Bij osteoarthrose groeit nieuw bot (osteophyten) aan de randen van het gewricht, rond de kom en op de hals. Deze osteophyten woekeren alle kanten op, de groeisnelheid is afhankelijk van de ernst van de osteoarthrose. Bij jonge honden van 4 tot 12 maanden is pijn de meest opvallende klinische indicatie van HD: pijn tijdens het staan (de hond gaat snel weer zitten), pijn tijdens het lopen (de hond weigert te lopen, loopt met zwaaiende heupen), en pijn bij springen of klimmen. Een slechte of goede aansluiting van kop en kom kan worden aangetoond met speciale klinische of radiologische technieken. Met röntgenfoto's kan de aansluiting van kop en kom objectief worden gekwantificeerd door bepaling van de Norbergwaarde en botwoekeringen kunnen met speciale radiologische beelden zichtbaar worden gemaakt. Bij oudere honden gaat het vooral om pijn na te zware inspanning, en niet zozeer om niet graag te willen of kunnen staan, lopen, springen of klimmen. Bij jonge honden met HD-klachten kan een slechte aansluiting van kop en kom operatief gecorrigeerd worden. Bij volwassen honden kan een kunstmatig gewricht ingebracht worden. Niet-operatieve behandelingen zijn aangepaste lichaamsbeweging, gewichtsbeperking en medicatie.
Elleboogdysplasie (ED)
De term "elleboogdysplasie" (ED) omvat een aantal onderling onafhankelijke afwijkingen die alle in het ellebooggewricht optreden en vooral voorkomen bij jonge honden van grotere rassen. Deze afwijkingen veroorzaken pijn en leiden uiteindelijk tot invaliderende osteoarthrose van het aangetaste gewricht.De meest frequent voorkomende diagnoses van stoornissen die onder ED vallen, zijn: (1) een losgeraakt processus aconeus (los processus anconeus = LPA); (2) een losgeraakt of afgebroken processus coronoïdeus (LPC); (3) een los stukje gewrichtskraakbeen afkomstig van de humerus (osteochondrosis dissecans, OCD); (4) twee verschillende vormen van gewrichtsincongruentie met gestoorde groei van de radius of de ulna (dat wil zeggen, de kom sluit niet perfect aan op het gewrichtsvlak van de humerus). De losse stukjes bot of kraakbeen in het geval van LPA, LPC of OCD irriteren het gewricht en veroorzaken pijn, gewrichtsontsteking en uiteindelijk osteoarthrose. Elleboog Incongruentie (EI) veroorzaakt schuifkrachten op en mogelijke losraking van het processus anconeus of coronoïdeus, met als gevolg LPA of LPC. EI veroorzaakt ook te zware belasting van een kleiner draagvlak van het gewricht, waardoor het kraakbeen wordt aangetast met als gevolg pijnlijke gewrichtsontsteking en uiteindelijk osteoarthrose.Een hond met één aangetaste elleboog zal ergens tussen 4 en 6 maanden beginnen te kreupelen. Als beide ellebogen door ED zijn aangetast, dan zullen de enige indicaties waarschijnlijk een korte paslengte en een tegenzin om te rennen en te spelen zijn. Bij klinisch onderzoek kan men een licht gekraak horen of voelen als het gewricht wordt bewogen. LPA, OCD en EI kunnen zichtbaar gemaakt worden op drie verschillende radiologische opnamerichtingen. LPC is in de beginfase moeilijk te zien en wordt pas duidelijker zichtbaar als zich tekenen van osteoarthrose ontwikkelen. Operatieve verwijdering van irriterende losse fragmenten (LPA, LPC, OCD) of operatief vastzetten van het LPA, en chirurgische correctie van incongruentie zijn geïndiceerd in de meeste gevallen van milde osteoarthrose. Bij ernstige osteoarthrose van het ellebooggewricht is de prognose voor volledig herstel matig tot slecht. Niet-operatieve behandeling van osteoarthrose omvat verminderde dagelijkse inspanning, beperking van lichaamsgewicht en medicatie om kraakbeengroei te bevorderen, gewrichtsontsteking te remmen en pijn te verminderen.
Invloeden van het milieu op HD en ED
Dr. Kealy verrichtte een heel interessant onderzoek met 20 Labrador-paren. [1] Per paar ging het om 2 nestgenoten van hetzelfde geslacht, die samen in één kennel waren gehuisvest. Eén van de twee mocht zoveel eten als hij/zij wilde, terwijl de ander 2/3 van die hoeveelheid kreeg. Met regelmatige tussenpozen werden alle honden gewogen en geröntgend. De honden die onbeperkt mochten eten bereikten een gemiddeld lichaamsgewicht van 32 kg, hun nestgenoten die de beperkte hoeveelheid voedsel kregen bereikten een gemiddeld gewicht van 23 kg, terwijl alle honden dezelfde beenlengte hadden. De losheid van de heupen (uitgedrukt met de Norbergwaarde) en de mate van osteophytenvorming (osteoarthrose) was bij de ongelimiteerd gevoerde honden groter dan bij de beperkt gevoerde honden. Voor Duitse Doggen grootgebracht op voer met veel mineralen, vitaminen en energie toonde dr. Hedhammar aan dat bij onbeperkt gevoerde honden het modelleren van kop en hals van dijbeen achterbleef vergeleken me55t beperkt gevoerde nestgenoten, waardoor de kop slechter in de kom past. [2] Dr. Kasström toonde voor nesten van Duitse Herders, Golden Retrievers en Labrador Retrievers aan dat onbeperkte voeding leidde tot frequentere en zwaardere HD dan gevonden werd bij beperkt gevoerde nestgenoten. De uiteindelijke heupscore had meer te maken met voeding en gewichtstoename dan met losheid van het gewricht bij de jonge hond. [3] In Utrecht werd aangetoond dat bij Duitse Doggen grootgebracht op voer met een hoog calciumgehalte, de kraakbeenkernen in de elleboog op latere leeftijd verbeenden dan het geval was bij honden die opgroeiden met een gebalanceerd voer met een lager calciumgehalte. [4] Ook afwijkingen in de lengtegroei van het spaakbeen en de ellepijp, waardoor EI ontstaat, werden vaker gevonden bij Duitse Doggen die te veel calcium kregen. Tevens werden stoornissen in kraakbeentransformatie (OCD) vaker geconstateerd bij Duitse Doggen die opgroeiden met een calciumrijk voer dan bij nestgenoten met een gebalanceerd dieet. [5] Bij honden van kleine rassen veroorzaakte een hoge mineraalopname niet de skeletstoornissen die we bij de grote rassen zien. [6] Ook voeding met een hoog vitamine-D-gehalte kan leiden tot symptomen van OCD en/of verstoorde groei van spaakbeen of ellepijp. Onderzoek van Nap c.s. toonde aan dat voedsel met een hoog eiwitgehalte, zoals puppyvoer van goede kwaliteit, géén negatieve invloed heeft op de skeletontwikkeling. [7]
Samengevat: snelgroeiende honden kunnen HD en/of ED ontwikkelen wanneer ze worden grootgebracht op een mineralen- of vitaminenrijke voeding, of zelfs als ze een overdadige hoeveelheid gebalanceerd voer krijgen, terwijl ras- en zelfs nestgenoten die met correcte voeding.worden grootgebracht géén HD of ED krijgen. Hondenvoer met de optimale hoeveelheid mineralen, vitaminen, eiwitten en koolhydraten schept de basis voor een normale kraakbeenontwikkeling, voor verbening van het kraakbeen, en voor definitief modelleren van de beenderen. In vroeger tijden, toen er nog geen puppyvoer beschikbaar was met een lage mineraal- en energiebalans, adviseerden dierenartsen om puppies een voer voor volwassen honden te geven, om zo de opname van mineralen, vitaminen en energie te beperken. Maar de lagere energiewaarde van het voedsel dwong de pup om meer grammen van dat 'volwassen' voer te eten. Daardoor kwam ook de dagelijkse opname van mineralen en vitaminen boven de optimale hoeveelheid uit, waardoor skeletstoornissen zoals HD en ED onopzettelijk gestimuleerd werden. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat honden van reuzenrassen die grootgebracht worden op een gebalanceerd puppydieet met maximaal 0,8 tot 1% calcium (% van droge stof) zowel een versneld proces van botvernieuwing kennen als een niet-verstoorde kraakbeengroei en verbening van het kraakbeen. In combinatie met een verminderde energieopname schept dit puppyvoer de optimale omstandigheden voor een ongestoorde skeletontwikkeling.
HD en ED zijn dus geen erfelijke afwijkingen?
We hebben gezien dat voeding een belangrijke invloed heeft op de mate waarin HD en ED optreden. Dit geldt vooral voor jonge honden van grote rassen, die sneller groeien dan de pups van kleine rassen. Uit onderzoeken van Nap c.s. onder dwergpoedels bleek dat een teveel aan mineralen slechts milde, klinisch niet-relevante gevolgen had voor de skeletontwikkeling bij deze kleine tot middelgrote honden.Dr. Ubbink en anderen toonden aan dat bij de Nederlandse Labradorpopulatie ED wordt aangetroffen in bepaalde verwante subpopulaties. Daarnaast toonde Ubbink aan dat LPC en OCD voornamelijk in verschillende subpopulaties optreden, en slechts zelden tegelijk in dezelfde subpopulatie worden gevonden. [8] In een onderzoek onder Berner Sennenhonden met röntgenologisch gediagnosticeerde ED (met name LPC met EI) bleek dat deze honden dezelfde levensstijl, huisvesting en voedingsregimes hadden als een vergelijkbare groep Berner Sennenhonden met ED-vrije ellebooggewrichten op röntgenfoto's. Deze studies lijken aan te geven dat de ontwikkeling van ED onafhankelijk is van voeding, levensstijl of huisvesting. Populatieanalyse gaf aan dat HD en ED een lage erfelijkheidsgraad (h²) hebben, die voor verschillende onderzochte rassen onder min of meer uniforme milieuomstandigheden varieert van 0,2 tot 0,6 voor HD, en van 0,24 tot 0,55 voor ED. [9] Met andere woorden: zowel HD als ED vereist een sterke invloed van het milieu om duidelijk tot uiting te komen.
Als we de resultaten van bovenstaande studies combineren, kan geconcludeerd worden dat HD en ED optreden bij honden van bepaalde rassen en dat deze afwijkingen zich zullen ontwikkelen onder bepaalde milieuomstandigheden. Naar de invloed van voeding - één van die omstandigheden - is veel onderzoek gedaan. Theoretisch zou het mogelijk zijn honden van kwetsbare rassen op te laten groeien onder milieuomstandigheden die het tot uiting komen van HD en ED bevorderen, om zo de genotypische lijders te vinden. We zullen echter meer geneigd zijn om jonge honden van HD- en ED-gevoelige rassen groot te brengen met een optimale kwaliteit en kwantiteit van voeding, en met beperkte beweging, om niet het risico te lopen dat we de ontwikkeling van skeletstoornissen stimuleren. Het gevolg daarvan is dat de genotypen van HD en ED onopgemerkt blijven in de populatie, en pas naar voren komen in een volgende generatie, als nakomelingen van fenotypisch vrije honden onder minder gunstige omstandigheden worden grootgebracht. Om te voorkomen de genen voor HD en ED in de populatie verspreid raken, dienen de fokdieren nauwgezet op HD en ED onderzocht te worden, met de meest moderne technieken. Voor de fokkerij moeten honden met onaangetaste gewrichten of met de minst ernstige gradatie van de stoornis worden ingezet.
Onderzoek van volledige nesten van Labrador Retrievers toonde aan dat uit fenotypisch gezonde ouders honden met ED worden geboren. [10] Uit analyse bleek dat het gen voor LPC in dit ras hoogstwaarschijnlijk dominant met variabele expressie is: vooral bij reuen correspondeert het genotype met het fenotype, terwijl bij de teven het gen voor LPC verborgen kan blijven. Deze wijze van vererving is een tweede oorzaak voor onverwacht her-optreden van een skeletafwijking in een volgende generatie. Onderzoek bij honden met HD heeft aangetoond dat dit wellicht een polygenetische stoornis is, waarbij meerdere afwijkende genen moeten samenkomen om de HD tot uiting te brengen in een aangetaste hond. [11]
Aanvullend op het onderzoek van individuele fokdieren, zal nakomelingen- en familieonderzoek helpen om inzicht te krijgen in de genotypen van het fokmateriaal. Er zijn aanwijzingen, op basis van recent moleculair-biologisch onderzoek, dat zowel HD als ED "major gene" fenomenen zijn, dat wil zeggen dat één of meer genen een hoofdrol spelen bij het optreden van deze afwijkingen. Het is de verantwoordelijkheid van de internationale kennelclubs om onderzoek te stimuleren en te ondersteunen om deze genen te lokaliseren, om zo de dragers, die de afwijkende genen aan de volgende generatie doorgeven, te kunnen opsporen. Het zal nog enige hondengeneraties duren alvorens DNA-onderzoek voor HD of ED realiteit is. Daarom is het nu tijd dat de internationale kennelclubs tot een uniform systeem van beoordeling en registratie komen en bekendmaken op welke methode hun beoordeling is gebaseerd, zodat fokkers in binnen- en buitenland inzicht krijgen in de status van heup- en ellebooggewrichten. Op dit moment hebben we te maken met een gevaarlijke paradox: honden uit landen met de meest gevoelige beoordelingsmethode voor HD en ED kunnen lager scoren en het daardoor op de internationale markt verliezen van honden die getest zijn met behulp van onderzoeksmethoden die volgens de moderne veterinaire inzichten niet meer acceptabel zijn.
Samenvatting
HD en ED zijn beide stoornissen in de ontwikkeling van het snelgroeiende skelet, die samengaan met veel lijden voor de aangetaste honden en hun eigenaars. In risicorassen treden HD en ED veelvuldiger en in ernstiger mate op bij honden die worden grootgebracht op voer met een hoog vitamine- of mineralengehalte, op voer verrijkt met mineraal- of vitaminesupplementen, of wanneer het voedselaanbod onbeperkt is. Anderzijds kan een verlaagde inname van calcium (optimaal is 0,8-1,0% Ca/droge stof) en beperkte energieopname het optreden van HD en ED onderdrukken. De wijze van vererving, de lage erfelijkheidsgraad en de grote invloed van milieuomstandigheden (vooral dagelijkse voeding) op het optreden van HD en ED in genotypisch aangetaste dieren kunnen de redenen zijn dat fokdieren waarvan werd aangenomen dat zij vrij waren van HD en ED toch lijders onder hun nakomelingen hebben. DNA-testen dienen het toekomstige doel voor internationale kennelclubs en rasverenigingen te zijn. Nauwgezet en consequent testen van fokdieren en hun naaste verwanten, en heldere internationale certificering van heup- en elleboogstatus zijn de belangrijkste punten voor de hedendaagse kynologie om verspreiding van de genen gerelateerd aan HD en ED binnen de risicorassen, en daarmee het optreden van deze invaliderende stoornissen, tegen te gaan.
Literatuur
1. Kealy R.D., Lawler D.F., Allam M. et al., Five-year longitudinal study on limited food consumption and development of osteoarthritis in coxofemoral joints of dogs. Am.J.Vet.Med.Assoc. 210, 222-225, 1997.2. Hedhammar, A., Wu F., Krook L. et al, Overnutrition and skeletal disease, an experimental study in growing Great Dane dogs. Cornell Vet 64 (suppl 5), 1-160, 1974.3. Kasstrom H., Nutrition, weight gain and development of HD, an experimental investigation in growing dogs with special reference to feeding intensity. Acta Radiol Suppl. 344:135-179, 1975.4. Voorhout, G., Hazewinkel, H.A.W., A radiographic study on the development of the antebrachium in Great Dane pups on different calcium intakes. Vet. Radiol. 28, 152-157, l987.5. Hazewinkel H.A.W., Influences of different calcium intakes on calcium metabolism and skeletal development in young Great Danes. Thesis Utrecht University, 1985.6. Nap R.C., Nutritional influences on growth and skeletal development in the dog Thesis Utrecht University, 1993.7. Hazewinkel, H.A.W., Nap R.C., No consequences of restricted and high dietary protein on skeletal development of Great Dane dogs, Compendium on Continuing Education for the Practicing Veterinarian 21, 25-31, 1999.8. Ubbink G.J., van den Broek J., Hazewinkel H.A.W., Rothuizen J., Cluster analysis of the genetic heterogeneity and disease distribution in purebred dog populations Vet Rec. 142, 209-213, 1988.9. Morgan J.P., Wind A., Davidson A.P., Hereditary bone and joint diseases in the dog, Schlütersche Verlag, Hannover (G), 2000.10. Everts, R.E., Molecular genetic studies in the dog: application to FCP in the Labrador retriever.Thesis Utrecht University 2000. 11. Todhunter R.J., Acland G.M., Olivier M. et al., Genetic linkage analysis of complex diseases: the canine hip dysplasia paradigm, International workshop 'Canine Genetics: the map, the genes, the diseases', J.A. Baker Institute for Animal Health-Cornell University, July 1997.
Bovenstaand artikel hebben wij niet gepubliceerd om mensen te doen geloven dat ze het altijd zelf schuld zijn als HD of ED optreed. Het is echter wel belangrijk te weten dat omgevingsfactoren ook een belangrijke rol spelen.

LEUKO-ENCEPHALOMYELOPATHlE (LEMP)
Enkele jaren geleden leek het zo ineens uit de lucht komen vallen: een ziekte, die we -voor zover bekend - niet eerder in ons ras tegen kwamen. Een neurologische ziekte, waarop een niet uit te spreken naam is geplakt: leuko-encephalomyelopathie, wat zoveel betekent als een aandoening van de witte stof van het ruggenmerg. Met de witte stof wordt het gedeelte van het ruggenmerg bedoeld, dat als een soort beschermstof (=myeline) rondom de zenuwuitlopers (axons/neurieten) ligt.
Zodra op de een of andere manier de normale opbouw en instandhouding van het myeline niet mogelijk is komen er kortsluitingen in de geleiding van zenuwprikkels. Het gevolg hiervan is dat de prikkels, die vanuit het lichaam het ruggenmerg binnen komen hun boodschap aan de hersenen niet goed kwijt kunnen. Omgekeerd worden berichten vanuit hersenen en ruggenmerg naar de verschillende lichaamsdelen niet of onvoldoende overgebracht. Begrijpelijk dat een dergelijke storing in de prikkeloverdracht verwarring brengt in het hondenlijf en dat is vooral zichtbaar in het bewegingspatroon. Het hangt van de ligging van het. "crisiscentrum" af waar de verschijnselen het eerst naar voren komen. Ligt de haard in de hersenstam en ter hoogte van de nek-c.q. borstwervels dan zal vooral de voorhand problemen gaan geven en de hond door de voorpoten zakken en zwikken. Wanneer daarna ook de achterhand gaat meedoen is het net alsof de hond , wat je noemt, "z'n evenwicht niet kan houden". Bij het staan wordt een steuntje gezocht en bij het gaan wordt vaak over de eigen voeten gestruikeld, waardoor b.v. haren en nagels aan de bovenkant afslijten. Na verloop van tijd kan de zwakte in voor-en achterhand zo ernstig worden, dat de hond nog nauwelijks in staat is "in de benen" te komen.
Het lijkt erop dat specialisten de ernstige neurologische verschijnselen niet steeds hetzelfde hebben beoordeeld en deze daardoor verschillende benamingen kregen. Het zou dus best kunnen zijn dat er in de loop van de tijd dezelfde ziektegevallen waren, die alleen een ander "etiket"opgedrukt kregen. Met de huidige moderne technieken (b.v. MRI) en onderzoekmethoden kunnen echter min of meer dezelfde afwijkingen van elkaar onderscheiden worden en pathologisch-anatomisch een verschillend beeld geven. Zo worden in onderstaand rapport door specialisten van Universiteit Bern 2 gevallen van LEMP bij jonge Leonbergers behandeld. Samengevat komt het onderzoek erop neer dat de neurologische verschijnselen sterke klinisch-pathologische overeenkomst vertonen met de al langer bekende LEMP bij Rottweilers. Bij beide rassen blijkt dat de symptomen worden veroorzaakt door een degeneratie (afbraak) van myeline (witte beschermstof) rondom neurieten/axons (zenuwvezels). Hoewel het myeline wel wordt gevormd kan het niet in stand worden gehouden. Vermoedelijk moet de oorzaak hiervan worden gezocht bij de neurons (zenuwcellichamen) of axons (zie tekening), die de nodige wisselwerking met de myeline vormende gliacellen belemmeren. Hierin verschilt het bij Leonbergers en Rottweilers voorkomende LEMP met soortgelijke ziekten van het zenuwstelsel bij andere rassen, zoals Erfelijke Myelopathie bij o.a. Kooiker honden. Ook Polyneuropathie, dat vaak in verband wordt gebracht met LEMP, is door de aard en de plaats van de aangetaste zenuwcellen niet met LEMP vergelijkbaar.

Nu ook weer in ons land na het eerder bekende geval van LEMP bij een teef en een aantal nestgenoten bij 2 jonge teven uit hetzelfde nest LEMP is vastgesteld (zie het trieste verhaal op
www.djoeka.net/satoe/ <http://www.djoeka.net/satoe/>) zal het (fok)advies van specialisten, dat jaren geleden al is gegeven en niet serieus is genomen, niet meer in de wind geslagen mogen worden! De gelijkenis van verschijnselen, klinisch onderzoek en pathologische afwijkingen bij nestgenoten wijzen volgens de deskundigen op een genetische basis van LEMP.
Aanbevolen fokmaatregelen:
v Om de verspreiding van deze ernstige ziekte tegen te gaan zullen de ouders, nestbroers/-zusters moeten worden uitgesloten van de fok. Als ook de halfzusters en half broers hierbij worden betrokken zou het LEMP- probleem mogelijkerwijs eerder opgelost kunnen worden.
v Foktechnische maatregelen moeten voorkomen dat ongewenste waarschijnlijk - recessief verervende eigenschappen (hierbij zijn zowel de vader als de moeder drager van het ziekmakende gen) de kans krijgen zich te verdubbelen. In de praktijk betekent dit dus dat bij een geplande fokcombinatie in de stambomen van de resp. reu en teef geen verdachte dubbelgangers moeten voorkomen. . Teveel "dubbels" is trouwens nooit goed, vooral is het opletten geblazen als deze ook nog eens teruggaan op sterk ingeteelde lijnen, waardoor er na enkele generaties veel te veel nakomelingen met min of meer hetzelfde genen pakket je rondlopen.
v Publicatie van in ons ras geregistreerde LEMP- gevallen om de achterliggende lijnen/ families te kunnen traceren.
v Bloedonderzoek bij honden uit families/lijnen, die in verband zouden kunnen worden gebracht met de in ons ras geregistreerde gevallen om via DNA onderzoek de fout in de ingewikkelde genenstructuur te kunnen ontcijferen. Op deze manier kunnen de dragers van het zieke gen al vroeg worden opgespoord en uitgesloten worden van de fok,
Nu er steeds meer bekend wordt over LEMP en wij weten dat deze vreselijke ziekte niet "vanzelf" over gaat moeten fokkers en eigenaren begrijpen dat er dringend fokmaatregelen genomen moeten worden.
De trieste verhalen en filmpjes van eigenaren, die LEMP van nabij meemaken, kunnen de noodzaak hiervan alleen maar bevestigen!
Hieronder volgt de volledige tekst van de onderzoekresultaten bij Leonbergers met LEMP.
Case Report
J Vet Intern Med 2008;22:467471
A N ovel Leukoencephalomyel opathy of Leonberger Dogs
A. Oevermann, T. Bley, M. Konar, J. Lang, and M. Vandevelde
Many different degenerative diseases of the canine
central nervous system (CNS) have been described involving white matter in various breeds.13 These in- clude Afghan Hound myelopathy and a similar disease in Kooiker dogs, globoid cell leukodystrophy of various breeds, oligodendroglial dysplasia in Bullmastiffs, cavi- tating leukodystrophy of Dalmatians, hound ataxia, leukoencephalomyelopathy of Rottweiler dogs, and myelopathies in Jack Russell and Fox Terriers.415 In the Leonberger dog, no degenerative diseases of the ner- vous system have been described apart from an inherited polyneuropathy.16 This report describes the clinical signs, magnetic resonance imaging (MRI) findings, and neuropathology of a novel neurodegenerative disorder affecting the white matter of brain and spinal cord in
2 Leonberger dogs.
Case Histories, Clinical Examination, and
MRI Findings
Case 1
A 2.5-year-old female Leonberger dog was referred to the small animal clinic of the Vetsuisse Faculty-Bern with a 1-year history of intermittent and spontaneous knuck- ling in the thoracic limbs. Three months before presentation, these signs began to worsen and include the thoracic limbs. The ataxia improved transiently after treatment with corticosteroids. On presentation, the bitch showed generalized ataxia and a hypermetric gait of the thoracic limbs with proprioceptive deficits in all limbs. On wheel barrow examination, stiff stilted steps were obvious. The patellar reflex was increased on both sides and a crossed extensor-flexor reflex could be elicited from the pelvic limbs. Spinal reflexes were slightly dimin-
From the Department of Clinical Veterinary Medicine, Division of Animal Neurology (Oevermann, Bley, Vandevelde) and Division of Radiology (Konar, Lang), Vetsuisse Faculty-Bern, University of Berne, Berne, Switzerland. Performed at the Department of Clinical Veterinary Medicine, Division of Animal Neurology and Division of Radiology Vetsuisse Faculty-Bern, University of Berne, Berne, Switzerland.
The paper was presented at the 20th ESVN symposium in Bern-, 2007
as a poster.
Corresponding author: Anna Oevermann, DVM, Dipl ECVP, De- partment of Clinical Veterinary Medicine, Division of Animal Neurology, University of Berne, Bremgartenstrasse 109a, P.O. Box
8466, CH-3001 Berne, Switzerland; e-mail: anna.oevermann
@itn.unibe.ch. mailto:@itn.unibe.ch
Submitted October 26, 2007; Revised December 12, 2007; Accepted January 8, 2008.
These authors equally contributed to this work.
Copyright r 2008 by the American College of Veterinary Internal
Medicine
10.1111/j.1939-1676.2008.0068.x
ished in the thoracic limbs. Hematology, serum
biochemistry, and cerebrospinal fluid (CSF) analysis were within normal limits.
MRI of the head and C1C4 was performed under general anesthesia in dorsal recumbency. Sequences in- cluded a sagittal (Time of Repetition [TR] Echo Time
[TE] 2,850/125 ms) and transverse (TR/TE 5,958/100 ms) T2-weighted (T2W), a dorsal CSF-suppressing FLAIR- sequence (TR/TE/Time of Inversion 8,031/125/1,900 ms) and transverse (TR/TE 30/15 ms) and dorsal (TR/TE 30/
12 ms) T1-weighted (T1W) gradient echoes—each before and after the IV administration of contrast agent (Omni- scana; 0.15 mmol/kg BW). Most obvious in transverse T2W images and less so in the FLAIR images was a hyperintense signal intensity within the dorsolateral fun- iculi of the spinal cord. The lesion was bilaterally symmetrical and extended from C1 to C4, becoming less intense caudally (Fig 1). Both the plain and contrast- enhanced T1W images were unremarkable.
Case 2
A male 2-year-old Leonberger dog was presented to the small animal clinic of the Vetsuisse Faculty-Bern with a history of generalized dysmetria of 6 months duration. The signs had worsened progressively over the past several weeks with spontaneous stumbling. Blood bio- chemistry and hematologic results examined 2 months
Fig 1. Dog 1. Transverse T2W (FSE T2, TR/TE 5,958/100 ms) image at the level of the atlantoaxial joint. Both lateral funiculi of the spinal cord show increased signal intensity (arrows).
previous were unremarkable except for serum T4 con- centration (1.4 mg/dL; reference range 1.33.7 mg/dL) and serum TSH concentration (1.53 ng/mL; reference range
00.32 ng/mL) leading to the diagnosis of hypothyroid- ism. The dog was treated with levothyroxine (20 mg/kg
body weight PO q12h) for 2 months. On neurologic ex-
amination, the dog had an abnormal gait with severe generalized ataxia, dragging its paws and with intermit- tent spontaneous knuckling and hypermetria of the thoracic limbs. Spinal reflexes were normal to increased in all limbs. CSF analysis was unremarkable.
MRI of the cervical spine (C2C7) was performed un- der general anesthesia in dorsal recumbency. Sequences included a sagittal and transverse T2W and a dorsal T1W plain and contrast-enhanced gradient echo. Contrast ap- plication was the same and sequence parameters were similar as described for case 1. The only lesions were seen in the dorsolateral funiculi of the C2 segment, were sym- metrical and hyperintense on T2, and did not contrast enhance.
In both dogs, a neurodegenerative disorder was sus- pected because of the symmetry of the lesions and the
lack of contrast uptake. Leukodystrophy, neuroaxonal
dystrophy, axonopathy, and leukoencephalomyelopathy were included in the list of differential diagnoses. Myeli- tis was considered less likely because of lack of both contrast uptake and signal changes in T1W images.
Both dogs were treated with physiotherapy (eg, con- trolled walking, passive extension and flexion of the limbs, massage), but had to be euthanized because of progressive deterioration of the disease 2 weeks and 5 months later, respectively.
Neuropathology
Complete necropsies were performed on both dogs shortly after euthanasia. Gross lesions were restricted to the spinal cord and brainstem. These consisted of an opaque and well demarcated, bilaterally symmetrical, whitish discoloration of the lateral columns (Fig 2).
Fig 2. Dog 1. Transverse section of the cervical spinal cord. Bilat- erally symmetrical foci of whitish and opaque discoloration in the lateral funiculi.
However, unilateral lesions or an asymmetrical pattern were observed as well at some levels (lateral corticospinal tract of the thoracic cord in dog 1, lateral corticospinal tract of the cervical and thoracic cord in dog 2). Lesions were most severe in the cervical spinal cord, but could be observed grossly also throughout the thoracic spinal cord and extending rostrally into the pyramidal tracts of the brainstem in both dogs. Brain, spinal cord, and rep- resentative tissue samples of internal organs were fixed in 10% neutral-buffered formalin, processed, embedded in paraffin, sectioned at 5 mm, and stained with hem- atoxylin and eosin (HE). Selected sections of the brain and spinal cord were stained with luxol fast blue HE and modified Bielschowsky stain. Semithin sections from plastic-embedded tissues were stained with tolui- dine blue. Immunohistochemistry was performed with specific antisera against the 70 kDa subunit of human neurofilament (1: 50, clone 2F11b) and glial fibrillary acidic protein (1: 1,000, polyclonal anti-GFAPb). The LSAB-AECb method was used, resulting in a red immunopositive reaction product at the site of the reaction.
Histologically, in both dogs the cervical spinal cord was most severely affected, but lesions extended caudally into the thoracic spinal cord and rostrally into the brain. Lesions were most prominent in the lateral corticospinal tract, but encroached on the dorsal spinocerebellar, rub- rospinal, and the lateral spinothalamic tracts. In case 1, lesions were observed also at the periphery of the fasciculus cuneatus in the cervical spinal cord. A subpial rim of white matter was always preserved. In the brain, lesions were confined to specific regions. Most severely affected areas included the cerebrospinal tract, tectospi- nal tract, pyramidal decussation, pyramids, medial lemniscus, and the spinal tract of the trigeminal nerve at the level of medulla oblongata. Furthermore, lesions were observed in the cerebellar white substance, cerebral peduncles, optic radiation, and optic tract. Lesions were predominantly bilaterally symmetrical, although in some areas a marked asymmetry could be observed (spinal tract of the trigeminus nerve in dog 1, lateral corticospi- nal tract of the thoracic cord in dog 1, lateral corticospinal tract of the cervical and thoracic cord in dog 2, pyramidal decussation in dog 2). The lesions were not uniform in intensity within certain functional systems (eg, lateral corticospinal tract, spinal tract of the trigemi- nal nerve in dog 1).
The affected areas showed a marked loss of myelin, readily visible in HE-stained sections because of a paler eosinophilic staining of the affected white matter areas. With luxol fast blue-HE staining, the deep blue staining of the normal white matter was replaced by an eosino- philic staining (Fig 3). Myelin loss was replaced by a prominent gliosis with numerous GFAP-positive reactive fibrillary and gemistocytic astrocytes (Fig 4). Microscop- ically, dilated myelin sheaths often contained gitter cells, and a few scattered swollen axons were observed. How- ever, axonal changes were relatively mild and confined to the areas of severe myelin loss. Furthermore, Bielschow- sky stain and immunohistochemistry for neurofilaments revealed numerous preserved axons running through the
Fig 3. Dog 1. Transverse section of the thoracic spinal cord. Bilat- erally symmetrical demyelination characterized by loss of deep blue staining of the white matter in the lateral corticospinal, dorsal spinocerebellar, rubrospinal, the lateral spinothalamic tracts, and cuneate tracts. Luxol fast blue—hematoxylin eosin stain. Scale bar
5 2 mm.
affected areas (Fig 5). In dog 2, lesions in the spinal tract of the trigeminal nerve and in the spinal cord were ac- companied by a few mild lympho-histiocytic cuffs around the vessels. Minimal Wallerian degeneration was observed rostrally and caudally from the lesions in the spinal cord as well as in the central white matter of the brain. Semithin sections essentially confirmed the demy- elinating nature of the lesions with myelin phagocytosis and naked axons. Numerous thin myelin sheets indicated remyelination (Fig 6). No lesions were observed in pe- ripheral nerves.
Fig 4. Dog 1. Loss of myelin is replaced by prominent gliosis. Note numerous gemistocytic astrocytes. Hematoxylin and eosin. Scale bar 5 30 mm.
Fig 5. Dog 1. Numerous intact axons (red) are running through demyelinated areas. Note gemistocytic astrocytes (arrows). Immunohistochemistry for the 70 kDa subunit of neurofilament (LSAB/AEC method). Scale bar 5 30 mm.
Discussion
A novel demyelinating disorder in Leonberger dogs is described affecting both sexes. The neurologic deficits can be explained by demyelination caused by slowing or complete blocking of conduction along affected nerve fi- bers.1 Ataxia was most likely caused by involvement of the general proprioceptive system, including the medial lemniscus and the fasciculus cuneatus.17 Increased exten- sor tone, crossed extensor reflex, stiff limb protraction, and toe dragging could be explained by the involvement of the lateral corticospinal and rubrospinal tracts. The lesions in the optic system and central trigeminal tracts probably were not severe enough to cause related neuro- logic signs.
Myelin breakdown was the most prominent change, and axons were largely preserved, suggesting a primary
Fig 6. Dog 1. Area of demyelination with numerous thinly mye- linated axons indicating remyelination. Semithin section, Toluidine blue. Scale bar 5 15 mm.
demyelination. The few swollen axons were interpreted to be secondary to severe myelin loss. Myelin degenera- tive disorders can be classified into either dysmyelination (leukodystrophy) or myelinolytic diseases. The former refers to inherited conditions in which myelin synthesis is defective and cannot be maintained.18 The latter is char- acterized by disintegration of initially normally formed myelin. Although the restricted distribution and the late onset of clinical signs would favor the latter, it remains to be established if the myelin loss in the 2 Leonberger dogs is caused by a dysmyelination (leukodystrophy) or a my- elinolytic disorder.18 Therefore, the more general term leukoencephalomyelopathy was chosen to describe this degenerative disorder. The similarity of the history, clin- ical signs, and pathologic lesions in 2 dogs of the same breed suggests a genetic basis of the disorder, although pedigree analysis of the 2 Leonberger dogs revealed no common ancestors and none of the littermates seemed to be affected as far as we could determine.
The disorder described here shows striking clinico- pathologic similarities to the leukoencephalomyelopathy described in Rottweilers.1012 Clinical signs in Rott- weilers include, as in the Leonberger dogs, progressive ataxia of all 4 limbs, proprioceptive deficits, and thoracic limb hypermetria. The age of onset in Rottweilers varied between 1.5 and 3.5 years. Furthermore, the type and distribution of lesions are almost identical with only mild variations. In Rottweilers, a genetic basis for the disorder has been suggested because of the familial relationship among the dogs, but the mode of inheritance could not be elucidated.11 The lesions in both breeds are clearly
Terriers all are characterized by primary axonal degener- ation, which was not a feature in the Leonberger dogs described here.9,14,15
In conclusion, this novel leukoencephalomyelopathy of Leonberger dogs appears to be a primary demyelinating disorder that has to be included in the differential diag- nosis for ataxia in this breed. The inherited polyneuropathy occurring in this breed can be ruled out because of the lack of predominant lower motor neuron signs and abnormalities in the peripheral nerves.16 Com- pressive lesions and inflammation can be ruled out by imaging and CSF examination, respectively. MRI exam- ination facilitates obtaining an in vivo diagnosis. No similar symmetric hyperintense MRI lesions of the spinal cord of dogs have been reported. In people, T2W hyper- intense symmetric lesions of the cervical spinal cord have been associated with cobalamin deficiency (subacute combined degeneration), copper deficiency, Wallerian de- generation, amyotrophic lateral sclerosis, spinocerebellar atrophy, poliomyelitis (affecting mainly gray matter), AIDS myelitis, and multiple sclerosis.2024 The signal in- tensity changes are caused by demyelination, Wallerian degeneration, and gliosis.24 Pathologic examination in the
2 cases revealed additional findings in the brain not de- tected on MRI.
At this time, it appears that the disease in Leonberger dogs could be an inherited myelinolytic disorder. Recog-
nition of additional cases and their pedigree analysis in combination with test matings might help to establish the genetic base of the disease.
demyelinating. Simultaneous vigorous remyelination
suggests that the oligodendrocyte/myelin compartment
is not fundamentally destroyed. Rather, myelin sheets are produced but appear to be unstable. Puzzling for a primary demyelinating disease in the Rottweilers and Leonbergers is the restricted distribution of the lesions,
Footnotes
a Omniscan; GE Healthcare AS, Oslo, Norway
b DAKO, Glostrup, Denmark
seemingly confined to certain functional systems, remi-
niscent of multisystem degenerations. This suggests that
the primary defect is located in neurons or axons, per- haps hampering the intimate interaction between neurons and oligodendrocytes, where neurons fail to provide proper signals for maintaining the myelin sheets. The molecular basis of such axon-myelin relationships during development and after injury has been investigat- ed in recent years.19 The leukoencephalomyelopathy in Rottweilers and Leonbergers would provide an interest- ing model to study such neuron-myelin interactions.
The slowly progressive leukoencephalomyelopathy de- scribed here differs from the rapidly progressing hereditary myelopathy in Afghan Hounds and Kooiker dogs, which is restricted to certain segments of the spinal cord and characterized by prominent malacia and micro- cavitation of the white matter affecting all funiculi.1,4,13
Preserved axons running through the destroyed white matter in Afghan Hound myelopathy indicate a primary myelin degeneration, whereas prominent Wallerian de- generation in the Kooiker dogs is more indicative of axonal disease. Hound ataxia, a progressive myelopathy described in Harrier Hounds, Beagle Hounds, and Fox- hounds, and hereditary ataxia of Fox and Jack Russell
References
1. Summers BA, Cummings JF, Lahunta A. Veterinary Neuro- pathology. St. Louis, MO: Mosby-Year Book; 1995.
2. Siso S, Hanzlıcek D, Fluehmann G, et al. Neurodegenerative
diseases in domestic animals: A comparative review. Vet J 2006;
171:2038.
3. Grant Maxie M, Youssef S. Nervous system. In: Grant Maxie M, ed. Jubb, Kennedy and Palmer's Pathology of Domestic Ani- mals, 5th ed. Edinburgh, UK: Saunders Elsevier; 2007:281457.
4. Cummings JG, De Lahunta A. Hereditary myelopathy of
Afghan Hounds, a myelinolytic disease. Acta Neuropathol (Berlin)
1978;42:173181.
5. Wenger DA, Victoria T, Rafi MA, et al. Globoid cell leuko- dystrophy in Cairn and West Highland White Terriers. J Hered
1999;90:139142.
6. McGraw RA, Carmichael KP. Molecular basis of globoid cell leukodystrophy in Irish Setters. Vet J 2006;171:370372.
7. Morrison JP, Schatzberg SJ, De Lahunta A, et al. Oligoden- droglial dysplasia in two Bullmastiff dogs. Vet Pathol 2006;43:
2935.
8. Bjerkas I. Hereditary ''cavitating'' leucodystrophy in Dalma- tian dogs. Light and electron microscopic studies. Acta Neuropathol (Berlin) 1977;40:163169.
9. Palmer AC, Medd Rk, Wilkinson GT. Spinal cord degenera- tion in hound ataxia. J Small Anim Pract 1984;25:139148.
10. Gamble DA, Chrisman CL. A leukoencephalomyelopathy of Rottweiler dogs. Vet Pathol 1984;21:274280.
11. Wouda W, Nes JJ. Progressive ataxia due to central demy- elination in Rottweiler dogs. Veterinary Quart 1986;8:8997.
12. Slocombe RF, Mitten R, Mason TA. Leukoencephalomye- lopathy in Australian Rottweiler dogs. Aust Vet J 1989;66:147150.
13. Mandigers PJJ, Van Nes JJ, Knol BW, et al. Hereditary nec- rotising myelopathy in Kooiker dogs. Res Vet Sci 1993;54:118123.
14. Bjorck G, Mair W, Olsson SE, Sourander P. Hereditary ataxia in Fox Terriers. Acta Neuropathol (Berlin) 1962;I(Suppl):
4548.
15. Hartley WJ, Palmer AC. Ataxia in Jack Russell Terriers. Acta Neuropathol (Berlin) 1973;26:7174.
16. Shelton GD, Podell M, Poncelet L, et al. Inherited polyneu-
ropathy in Leonberger dogs: A mixed or intermediate form of
Charcot-Marie-Tooth disease? Muscle Nerve 2003;27:471477.
17. De Lahunta A. Veterinary Neuroanatomy and Clinical Neu- rology, 2nd ed. Philadelphia, PA: WB Saunders Company; 1983.
18. Powers JM, De Vivo DC. Peroxismal and mitochondrial dis- orders, Chapter 12, Vol. 1. In: Graham DI, Lantos PL, eds.Greenfield's Neuropathology,

Standpunt KNMvD